Dagboek

''Dagboek van een gelukkige en onbezorgde jeugd"

Eerste druk november 1999.
Tweede elektronische druk
 december 2010

Copyright ©1999-2011, Meehold BV, Diemen, the Netherlands.

 

ISBN 17071957

  

 

Bijgaande verhalen zijn in 1999 uitgebracht in een paperback in beperkte oplage. Dit was destijds ter ere van mijn moeder haar 70ste verjaardag. Het internet en met name de website van mijn broer Bob, lijken nog veel meer geschikt om deze verhalen aan een grotere groep geïnteresseerden te kunnen laten lezen.

Frans van Meetelen

De keuze om dit dagboek te maken heeft meerdere achtergronden. Omdat men vindt dat mijn geheugen goed is, weet ik veelal op feestjes en partijen leuke herinneringen op te halen. Met de gedachte dat dit wellicht leuk zou zijn voor later besloot ik om zo nu en dan een paar herinneringen op beeldscherm te zetten. Dit heeft geresulteerd in onderhavig dagboek.

 

De verhalen die er in staan zijn zoals ik ze heb beleefd en mij nu herinner, details kunnen in werkelijkheid op kleine punten afwijken. De bedoeling is dat het een dagboek met een lach en een traan zou worden. Diegenen die ik bij wijze van onzekerheid vooraf vast een hoofdstukje liet lezen vonden allen dat ik ermee door moest gaan.

Het dagboek pretendeert alles behalve volledig te zijn. Er zijn nog zo veel leuke en sentimentele herinneringen die hier nog niet in zijn opgenomen. Er komen regelmatig nieuwe hoofdstukken bij.

INHOUDSOPGAVE

1  Omsterdam                          9   A-10 geheim 
2  Dagelijks levensgeluk  10   Vader-zoon geheim 
3  Little drummer Boyb  11   My Special Prayer 
4  Ik op m’n smalst  12   Oudejaarsavonden 
5  Een prinses  13   Henri Dunant 
6  Boerenkar  14   Nee, dan vroeger 
7  Naar Ommen  15   Grote voetballer 
8  Te Ommen  16   Onnie

1. Omsterdam
 

"Henk je gelooft het niet maar ik ben zo blij als een kind". Dit zei mijn vader tegen oom Henk uit Ommen. Indien oom Henk gewoon in Amsterdam was geboren zouden we hem ome Henk genoemd hebben, vandaar. Mijn vader zei dit terwijl hij onze Renault 4, gekentekend 59-31-AJ, auto van het jaar 1964 vermeldde de sticker op de achterruit, de Overtoom opdraaide vanaf de parkeerplaats voor de deur van de foto- en filmspecialist. Het was een Overtoom van nog uit 1965, één waar je nog kon autorijden zonder de daarna aangelegde vrije trambaan of de daarvoor gedempte gracht. Het werd er weer eens niet beter op, in autorijdend Amsterdam. Mijn vader, en derhalve wij ook een beetje, waren sinds 5 minuten eigenaar van een dubbel-8 Eumig filmprojector en bijbehorende camera. "Uiteraard kunt u de gehele set upgraden naar super-8, indien dit ooit standaard gaat worden, maar dat kan nog wel 20 jaar duren", beloofde de verkoper plichtsgetrouw.

 

Eigenlijk had mijn vader een dergelijke complete set over willen nemen van ene ome Bram (een Amsterdammer) want die had plotseling geld nodig. "Verdomme Bram, waarom heb je mij niet even gebeld", vroeg mijn vader, "Ik dacht dat je geen geld had op dat moment", zou ome Bram hebben geantwoord. "Natuurlijk voor zulke dingen hebben we altijd wel een reserve", had mijn vader weer gepareerd. Zelf vond ik de verklaringen van ome Bram en die van mijn vader beiden een beetje ongeloofwaardig. Maar zoals ik later zou leren gaat het erom elkaar te overtroeven als het gaat om handel, handeltjes en geld verdienen.

 

"Ik ben zo blij als een klein kind Henk, dat ik deze set, die ik al jaren had willen hebben nu voor deze prijs heb kunnen kopen. Ik beloof je dat ik ook van jou en Annie en Tijana, Tianne mompelde oom Henk, een kleurenfilm ga maken voor later. Onze tent staat uiteindelijk niet voor niks al die jaren bij jullie op zolder, vliering mompelde ook Henk".

 

"Nee Det, die filmknipper zat er niet standaard bij maar zonder dat ding kan ik toch helemaal niks. Maar vanmorgen toen jullie erheen reden zei je nog dat die er ook bij zat. Nou dat was ook zo Det maar ik was een week te laat, je weet ook wel waarom". Hoofdschuddend en ondertussen knipogend naar tante Annie liep mijn moeder meewarig maar alles begrijpend naar de keuken. Mijn moeder was altijd een betere zakenvrouw geweest. Indien zij mee was gegaan zou mijn vader de filmknipper, en nog veel meer accessoires, gratis hebben gekregen.

 

Zo hebben ze later die avond, naar verluidt, met z’n vieren de rosse buurt bezocht. Maar niet erg lang want op lastig wijzende en luidruchtig lachende provinciale Annies zat de Amsterdamse penose niet echt te wachten, zo wist mijn vader. En het duurde ook niet lang of een groepje van 40 jaar lik liepen achter mijn vader, moeder, tante en oom aan. "We moesten maar eens aanstalten maken", zal mijn vader ongetwijfeld hebben opgemerkt. Net zoals toen we met het hele gezin, toen nog, over het ijs richting Osdorp liepen. "De boeren laten de sluizen leeglopen, en dat is levensgevaarlijk Det". Oom Henk en tante Annie, zich van geen kwaad bewust, zullen gedwee hebben meegelopen.

 

Mijn vader heeft z’n woord gehouden. Vele kilometers film zijn er gemaakt van ons gezin. Ook zijn er een 3-tal minuten kleurenfilm te bewonderen van oom Henk en tante Annie en Tianne.

2. Het dagelijks leven(sgeluk)

 

Zo woonden wij in een nette portiekwoning in Amsterdam Geuzenveld. De 3de tuinstad in Amsterdam-West die nodig was om de bevolkingsuitbreiding van na de 2de wereldoorlog qua woonruimte op te kunnen vangen. Een hele overgang voor mijn ouders van het statige Amsterdam-Zuid naar het open, zanderige Geuzenveld. Mijn vader vertelde wel eens dat ze in het begin vanuit de Nolensstraat helemaal naar het Mercatorplein konden kijken. Eigenlijk was Geuzenveld een dorp op zich, voor 30% opgehoogd tussen Slotermeer en Osdorp, binnen, of buiten, het is maar hoe je het bekijkt, Amsterdam. Het enige verschil met een dorp is dat je eigenlijk niet iedereen kende en derhalve ook niet alle roddels kende. Inmiddels hangt bij ieder raam een wok aan de buitenkant, evenwel niet om rijst in te bakken maar om Turkije 1, 2 Staatstelevisie te kunnen ontvangen.

 

Schietpartijen drugs- en ripdeals en bushokjes zonder glas bepalen het straatbeeld vandaag de nacht. Indien vroeger Bus 21 een lekke band had dan liep daar de hele buurt voor uit, hilariteit alom. Om maar te zwijgen van de jaarlijkse kermis op het Lambertus Zijlplein. Indien je bij de schiettent per ongeluk naast de schietschijf schoot dan was de kans groot dat het kogeltje via een portie natte rijst van Ou Kiang in het gebit van een argeloze loempia-eter terecht kwam, loempia’s die toen nog overigens de afmeting van een king size luchtbed hadden.  

 

Het hoogtepunt als Nolensstrater was destijds het opspuiten van de achtertuin, een gezamenlijk project van de buren, die des winters een leuke ijspret beleefde, bekend van prentjes van Anton Knaack.

 

"Piet ik heb hem, dan kunnen we vanavond ook eens onze bijdrage leveren aan de ijsbaan". Zo was het dat de ouders van een aantal portieken van de Nolensstraat en van de Theo van Doesburgstraat zich als een professionele ijsmeester van deze baan hadden opgeworpen. Wij hadden, met onze 3 kinderen, Sjoerd zou zich later bij ons aansluiten, wel met onze Friese doorlopers, het ijs naar de knoppen geholpen, maar er nog geen druppel water/ijs aan toegevoegd. Dat kon zo niet langer vandaar dat mijn moeder bij de plaatselijke ijzerhandel/blaaspijpleverancier zeker 10 meter tuinslang had aangeschaft, bij wijze van verrassing voor mijn vader die dan die avond geheel als nieuwe ijsmeester een nieuwe dimensie aan de ijsbaan kon gaan toevoegen.

 

"10 meter is veel te kort Det, hoe haal je dat nou in je hoofd. Ach welnee dat halen we makkelijk, je zal het zien Piet na het eten".  Na de favoriete winterkost van mijn vader, andijvie geprakt met een kruimig aardappeltje met in het midden een kuiltje jus voorzien van mijn moeders gehaktbal, werd de groengeel gestreepte tuinslang uitgerold. "Nou zie je nou wel", zei mijn vader toen hij halverwege het kleine balkon reeds met het uiteinde in zijn handen stond.  

 

Zoals toentertijd Schraalhans al keukenmeester moet zijn geweest werd er niet een nieuwe slang van 20 meter gekocht maar een aanvulling van nog eens 10 meter, die via een koperen tussenschakel, op professorische wijze met elkaar verbonden werd. Derhalve hadden wij halverwege, op het balkon, een kleine privé ijsbaan. De koperen tussenschakel, die inmiddels groen was van het lekken, heeft nimmer goed aangesloten. Denk nou niet direct dat onze bijdrage aan de voorloper van Thialf daarom ondergeschikt was. Nee hoor, al moest mijn vader tot 2 uur ’s nachts doorspuiten, onder het genot van een lekker borreltje, tezamen met Willem Boekhof, de ijsbaan lag er ’s morgens mooi bij waar ze in Heerenveen een puntje aan konden zuigen. Al moest buurman Boekhof, na enige misstappen en glijers, geheel doorweekt en vloekend via de regenpijp naar boven klimmen om daarna geheel droog weer aan het spuittoneel deel te nemen.

3. Little Drummer Boyb

 

Daar zat mijn broer Bob. In de band van een nieuw opkomend talent op het gebied van de modernere vrouwelijke carbaretieres. Zo’n Nieuwengeinse moeder die na vijf jaar huwelijk en twee kleintjes toch zo nodig eens iets creatiefs moest gaan doen, voordat ze te oud daarvoor werd en bovendien komt het pedagogie van de kinderen zeker ten goede, zal ze tegenover haar hardwerkende man moeten hebben geargumenteerd toen ze manlief voor het eerst met haar ambities confronteerde. Kijk maar naar Patty Harpenau, eerst bijstandsmoeder en nu copieert ze moeite- en schaamteloos de mooiste werken van Corneille. "Nou als je dan zo graag wilt doe het dan maar het mag niet ten koste gaan van ons huwelijk".

 

Welnu voor deze inmiddels van tafel en bed gescheiden kruising tussen Kaandorp en Schouten speelt mij broer dus de drums.

 

In het Fijnhout theater zaten we op de tribune met bijbehorende Ajax kussentjes met onze familie tussen het publiek met voornamelijk de families van de andere bandleden. Uiteindelijk waren we gekomen voor mijn broer die zijn ambities als drummer reeds op jonge leeftijd aan alle buren had laten horen.

 

Zelf vond ik de drums het beste van de gehele avond. Ik wist werkelijk niet dat mijn broer zo goed kon drummen. En bij de eindtune, de ouverture, liet hij een poepje ruiken en terwijl iedereen al staande weglopend applaudiseerde, stond ik als aan de grond genageld naar mijn broer te kijken. Mijn handen blauw klappend keek en zag ik opeens niet mijn maar zijn leven voorbijflitsen als een vier kleuren stripverhaal waarbij alle kleurrijke momenten van hem omhoog kwamen.

 

Terwijl hij zich, stoïcijns voor zich uit drummend, het applaus liet ontvallen zag ik een peuter met een enorme zwerende duim, een jongetje in het Wilhelmina Gasthuis vanaf de 2de etage voor het raam beteuterd kijken, nee jij mag niet zwemmen Bobje, een pen in zijn been, van de kar gevallen, opeens op televisie op de Dam tijdens de inhuldiging van Ajax in 1970, dronken kotsend in de caravan, net boven het stuur uitkijkend van een Opel Kadett 1969 de buurt rond, kijk hier woont hij meneer van de Coöperatie die uw zonnescherm expres heeft afgefikt, papa flimmen.

 

Hier zat hij op zijn hoogtepunt als muzikant te drummen, waar hij altijd al van droomde, inmiddels voor hem slechts een klein intermezzo in zijn artistieke loopbaan als allrounder. Met tranen in mijn ogen, dit keer niet vanwege mijn contactlenzen, verliet ik deze 3-d cinema van jeugdsentiment. That’s my Boyb.

4. Ik op m’n smalst

 

Iemand voorbij lopen en na vijftig meter omkijken, terwijl deze persoon hetzelfde doet. Na honderd meter nog eens proberen en ook hij doet hetzelfde. Deze menselijke blunder maakt eenieder wel mee in z’n loop- struikelbaan naar de volwassenheid van het blunderen. Als het hier bij zou blijven was er niets aan de hand, maar helaas. Als in een door Meta de Vries op radio 2 zondagmiddag voorgelezen stommiteit gaan veel menselijke blunders schuil. 
 

Zo die keer dat ik als veelbelovend fotomodel, met de gehele crew van reclame buro Linthas en de Amerikaanse Coca Cola bemanning foto’s ging schieten in Marbella, twee weken genieten en nog geld verdienen ook. Na een zorgvuldige casting ten kantore van Linthas werd ik pardoes uitgekozen en moest de volgende maandag op Schiphol klaar staan. Zou het een low budget gebeuren zijn of zoeken ze de gewone jongen van hiernaast zoals sommigen mij reeds hadden toevertrouwd toen ik vertelde dat ik, tezamen met een andere jongen, tot de gelukkigen behoorde. Was dat jaloezie (of een andere Luxaflex) of een poging om mijn zelfvertrouwen een deuk te geven. So what, lekker een betaalde vakantie in één van de meest exclusieve vakantieoorden van Europa.

Op Schiphol maakte ik kennis met het andere model, een zekere Agnon. Toen we gezamenlijk ter voorbereiding aan het grote feest wat ons zeer zeker te wachten stond op Schiphol er vast eentje namen kwam ons gesprek op een sportschool in Amsterdam centrum waar we beiden wel eens hadden getraind. Zo kwam ook de niet om zijn gulle giften bekend staande uitbater ter sprake. "Ach dat is een zuinige jood", verduidelijkte ik het gesprek met de bedoeling aan te geven hoe ongelooflijk gierig hij was. Hoezo, vroeg mijn nieuwe collega, "Hij is helemaal geen jood, ik ben een jood". De vloeren van Schiphol waren te sterk om er doorheen te zakken.
 
 

 

En dan die keer, ik zal een jaar of tien half elf geweest zijn. Iedere donderdagavond dansen vermeldde het groene A-4tje op het doorweekte prikbord naast de ingang van de herentoiletten tussen de velden E en F op camping de Stekkenkamp te Ommen, te Overijssel, te Nederland, te Europa, planeet Aarde om precies te zijn.

 

Beheerder/eigenaar Lemmers haalde 3 keer per week het vuil op bij de tenten, die wij als brave kampeerders in afgedankte gele halfkoperen zurebommen-blikken moesten opsparen. In een klein karretje, dat in schril contrast stond met de Chevrolet Couvair de Luxe die ervoor reed, stuurde deze Lemmers half lachend glurend naar leuke stadse deernes zover ik nu begrijp, en werden deze blikken door behulpzame idioten zoals ik en mijn broertjes destijds geleegd. Niet dat je er wat mee verdiende maar het ging om de solidariteit met het milieu zal ik maar zeggen.

 

Op de bewuste donderdagavond dansen in de oude deel, had Lemmers persoonlijk een versterker aangekocht. Niet het nieuwste model maar wel een echte, mono versterker. De zoon van de toenmalige schoonmaakster van eerder genoemde toiletten mocht bij wijze van discjockey reeds vergane glories als boele-boele draaien. Deze held van de camping, hij had lang haar, dus kon je nagaan, kreeg geheel zwetend genoemde versterker niet aan de praat, terwijl wij, de stadsjeugd klitte wat bij elkaar, als homootjes met elkaar in het luchtledige stonden te bumpen. Een echt meisje vragen kwam pas veel later aan de orde.

 

Uit mijn ooghoeken sloeg ik dit toneel gade en moest natuurlijk helpen met het oplossen van het versterkerprobleem. Omdat wij thuis in Geuzenveld ook een buurthuis hadden was ik daar toch op z’n minst de aangewezen technicus voor. Nu had zulks een versterker, die op pootjes stond en een soort van open gaasconstructie had vanwege het afvoeren van de warmte van de lampen, geen dichte onderkant. Laat mij maar even riep ik nog en stopte mijn hand onderin het gevaarte om eens te kijken of dat wellicht hielp. Op hetzelfde moment kreeg ik, staande op de ruwe betonnen vloer van de deel van de voormalige boerderij, 220 Volt door mijn lichaam met een Amperage die een ander natuurlijk nooit zou hebben kunnen navertellen. Het gevolg was dat de versterker daarna nooit meer heeft gefunctioneerd. Door de schrik ben ik linea recta naar de tent gerend en weet ik niet meer hoe de avond is verlopen. Problemen van technische aard heb ik derhalve later nooit meer proberen op te lossen.

5. Een prinses

 

Hieronder volgt een sprookje uit 1000 en 1 nachten.

 

Er was eens mijn zus. Ze was de knapste van de buurt met haar blauwe ogen en blonde lange haren. Ze had in chronologische volgorde de volgende vriendjes: Randolf Kantelberg, Ronald Maaskant, Bennie Bult, Hans Heneweer, Johan Prins, Johan Prins, Johan Prins en Johan Prins. Deze laatste had het geduld op de proef gesteld en kon als enige mijn zuster aan. Prins Johan kwam dan weliswaar niet op een wit paard maar op een grijze Zündapp, maar o.k.

 

Op zekere dag , ik weet het nog drommels goed, traden zij in het huwelijk. Vanzelfsprekend had ik vooraf mijn goedkeuring hieraan gegeven, jong geluk, en zeker van prinselijk bloed, moet je nooit in de weg staan.

 

Nadien kregen ze twee prinsen, Johan en Ronald, bekende en mooie namen uiteraard. Als één van de weinigen in eenieders omgeving bestaan ze nog immer uit een gelukkig gezin. Iedereen die ik ken is inmiddels wel minimaal drie keer getrouwd geweest, nee deze prinselijke familie niet. Waar kun je tegenwoordig nou nog van op aan. Prins Bernard heeft steekpenningen aangenomen, Nixon moest aftreden, kip kun je niet meer eten, vlees ook al niet, cola kun je niet meer drinken, Prins Willem Alexander wordt lid van het IOC. Maar onze Prins en Prinses blijven bij elkaar.

 

De manier waarop zij mijn twee nevenprinsen (Prins Johan sr. noemt dit oomzeggers) hebben grootgebracht is ook op z’n minst gezegd benijdenswaardig. Als iedereen op deze aarde zulke familie had dan zou het er op de wereld een stuk beter uitzien.

 

En ze leefden nog lang en gelukkig.

6. Boerenkar

 

Ik was een gemakkelijk kind vertelt me moeder altijd. Vandaar dat ik als één van de weinigen vaak uit logeren durfde. Dat doe ik nog steeds trouwens. Alleen zijn de logeerkamers van opa en oma uit de Maartensdijklaan in Den Haag en de kleine zijkamer van de boerderij van oom Herman en tante Zus uit de Beneden Kniepe verruilt voor hotelkamers in Duitsland en Oostenrijk. Bij één van mijn favoriete logeerpartijen in Friesland op de boerderij, ik zal een jaar of acht-half negen geweest zijn, mocht ik voor het eerst met oom Herman mee op de kar.

 

Oom Herman had een litteken op z’n lip moet je weten, had een trap van een paard gekregen antwoordde hij als je ernaar vroeg. Ik heb eigenlijk nooit geweten of dit verhaal echt waar was maar het deed het goed op het schoolplein na de grote vakantie. De kar was een boerenkar, wel één met rubber banden en vier wielen met voorop een bok die je tegenwoordig alleen nog in cowboy films ziet. Zo één waar deftige juffrouwen van de zondagsschool, door de dorpsstraat langs de saloon naar het station gereden worden alwaar een dampende stoomtrein geduldig stoom staat af te blazen.

 

Zo’n kar had oom Herman met erachter de bak waar meestentijds hooi, om voor mij onduidelijke redenen van punt a naar punt b, en veelal weer andersom vervoerd werd. De kar had een vermogen van 1 pk. Deze trouwe viervoeter sjokte trouw altijd op door oom Herman mennende teugel bewegingen. Waarom hij niet eens sneller kon lopen begreep ik niet en zeker al niet omdat het paard zo verschrikkelijk kon ruften. Als stadsjongen geneerde je toch een beetje omdat oom misschien wel kon denken dat ik dat deed. Daarom was ik wel blij dat deze paardenwinden soms gepaard gingen met een niet al te hard menselijk schetengeluid die goed genoeg hoorbaar waren.

 

Nu had oom Herman achter de boerderij een stuk land dat waarschijnlijk nu een stuk kleiner is dan het toen leek. Dat heb je nu eenmaal met kinderoogmaten. Direct naast het land van oom Herman lag een gelijkend stuk land van de buurderij. Deze buur had een aantal paarden los in de wei lopen, zoals dat in boeren vaktermen heette. Waarschijnlijk was men via ruilverkaveling, in het leven geroepen door toenmalig minister Sicco Mansholt, aan zulke mooie gelijke stukken land gekomen.

 

Welnu ik reed dus met oom Herman als assistent cowboy naar het einde van de prairie dat zoals te doen gebruikelijk eindigde op een sloot. De paarden van de buren rende mee aan de andere kant van het schrikdraad. Of het om tochtige redenen ging of wat dan ook, ik kon dit als stadsjongen natuurlijk nooit geweten hebben, maar onze viervoeter sloeg plotsklaps op hol. Aangezien de bok voorzien was van mooi gelakt houten zittingen gleed ik bij de op het weiland hobbelende kar steeds naar voren en dreigde onder de reeds vermelde banden terecht te komen. Oom Herman probeerde met alle macht met in zijn linkerhand de teugels en met zijn rechterhand mij van het glijden te voorkomen dat we al hobbelend in de sloot zouden belanden. De paarden bleven elkaar ondertussen maar opfokken met ertussen slechts één ijzerdraad met zwakstroom.

 

Je kon met een grassprietje zonder veel pijn voelen of er stroom staat op zo’n draad schoot het door mijn hoofd toen we met volle draf op het draad af galoppeerde. Toen we geheel versuft zonder al te veel zwakstroom door ons lichaam de kar met z’n tweeën weer rechtop probeerde te tillen zei oom Herman dat ik het maar niet tegen tante Zus moest vertellen. Want dan mocht ik volgende keer misschien niet meer mee. Uiteraard heb ik ons geheim, zelfs tot aan de dood van oom Herman toe, weten te bewaren. Ik denk dat tante Zus er nu niet meer boos over zal zijn.

Filmpje http://www.bobfvanmeetelen.nl/34252355

7.  Naar Ommen

 

Net als onze ouders trouwens, keken wij met volle teugen uit naar onze jaarlijkse vakantie naar Ommen. Sinds 1963 gingen wij immers kamperen, iets waar mijn vader vooralsnog niets van moest weten. "Maar Piet laten we het op z’n minst eens proberen. Ja maar, nee Piet als je het niets vindt dan doen we het nooit meer". Zo wist mijn moeder gelukkig vaker haar vrouwenzin door te drukken.

 

Zo reden wij eind juni 1963 naar Ommen alwaar oom Henk, dus dat zat wel goed, ene Lemmers kende, die nog voordelig plaatsen verhuurde aan nieuwe kampeerders. Er was zelfs een ruimte met moderne toiletten en warme douches die met door een muntje, te kopen bij dezelfde Lemmers, vier minuten een pisstraaltje lauw water gaven.

 

Tegenwoordig rijdt men in drie kwartier van Amsterdam naar Zwolle maar toentertijd was dit geheel andere koek. Ten eerste bestond de ringweg om Amsterdam nog niet. Zodoende was de route die we moesten nemen dusdanig dat het minimaal 45 minuten duurde om van Amsterdam West naar Amsterdam Oost/Diemen te geraken alwaar de snelweg A-1 richting het oosten begon.

 

De route die wij reden, op sommige stukken een taxiweg volgens mijn vader ging derhalve als volgt:

Nolensstraat, de hoek om via de Savornin Lohmanstraat,de Troelstralaan op richting Osdorp. Aldaar via de Cornelis Lelylaan tot aan het Surinameplein. De Baarsjesbrug over rechtsaf de Amstelveenseweg op. Voorbij het Vondelpark linksaf de Oranje Nassaulaan op. Dan linksaf de Sophialaan over tot aan de Emmalaan. Rechtsaf de onder het Amsterdams Lyceum door tot aan het van Heutzmonument. Dan linksaf de Apollolaan op tot de Berlagebrug. Dan via het prins Bernard Plein, alwaar Renault Nederland zat de oude Gooiseweg op. Vervolgens kwamen we voorbij mosterdfabriek Luycks. ‘Hier haalt Abraham de mosterd’ vermeldde het bord alwaar een bijbels figuur een oude handkar trok met een grote pot mosterd. Dan zaten we eindelijk, drie kwartier later, op de snelweg.

 

Vervolgens voordat we Hilversum waren gepasseerd, alwaar tante Pop nog woonde, vroegen we vechtend achterin of we er al waren.

 

Als mijn vader dan na aan mijn moeder gevraagd te hebben "Dets gooi jij dat futseltje even weg" het vakantielied inzette dan wist ik dat het niet zo ver weg meer kon zijn. Gebruikelijk moest mijn moeder dan het Caballero-peukje-zonder-filter rechts uit het schuifraampje gooien want links hadden we net getankt. Omdat mijn vader in de oorlog bij de brandweer heeft gezeten moest je daar natuurlijk geen onnodige risico’s mee nemen.

 

Indien mijn vader ons vakantielied dan inzette zaten we na bijna drie uur rijden veelal tussen Zwolle en Ommen. En al roepend van "Oh kijk dan links, een nieuw huis gebouwd, en kijk wat de Vecht weer hoog staat" reden we op een landelijk drafje Ommen binnen. Het meest opvallende was de lekkere natuurlucht die je binnen snoof. Indien we dan na soms wel zes weken weer Amsterdam binnenreden viel de stadse stanklucht weer op, waar je na één dag weer aan gewend was.

Filmpje http://www.bobfvanmeetelen.nl/38554937

8. Te Ommen

 

Zo had je natuurlijk op campings spelletjes voor volwassenen en kinderen. Diegenen die de spelletjes organiseerden voor kinderen wilden naar mijn idee in een goed blaadje komen bij de niet onaantrekkelijke jonge moeders van deze kinderen. Diegenen die de spelletjes voor ouderen organiseerden willen tezamen met deze moeders de spelletjes meespelen.

 

Maar goed tijdens één van de kinderspelen van vier tot acht jaar was ook onze Sjoerd van de partij. Sjoerd die al van kleuterbeen af last had van één oog wist met zijn bril toch als eerste te eindigen. Als Sjoerd tijdens dit soort spelletjes kwam aanrennen stond zijn hoofd altijd een beetje scheef. Dit kwam omdat hij zijn goede oog vooruit liet kijken. Zo rende hij net als een labrador of een Boeing 747 die de landing inzette maar door een sterke zijwind schuin moest landen. Een kleine doorbijter zei mijn moeder altijd.

 

De organisator van dit kinder evenement had toevallig zelf ook een kind die, hoe is het mogelijk, 2de was geworden. Bij de prijsuitreiking stond bij wijze van prijstafel een opklappertje met daaroverheen een stuk zwart landbouw-plastic. Daarop stonden natuurlijk drie schitterende prijzen te lonken die bij de plaatselijke kampwinkel waarschijnlijk onder druk van eerder genoemde Lemmers, waren aangeschaft.

 

Dit waren respectievelijk : een klein karretje van blik met echte wieltjes en een meter lange ijzeren trekstang, een blauwe opblaasbal en een rode opblaasbal. Wat het verschil in prijscatagorie van beide ballen was heeft nooit iemand begrepen, behalve ik. De ballen werden nooit verkocht want in de V&D in Zwolle waren ze de helft van de prijs. De blauwe bal was duurder omdat het een nieuwe exemplaar betrof. De rode bal was van vorig jaar. Het karretje, dat overigens al aan roestplekken onderhevig was, maar natuurlijk nog wel een vakantie op de Stekkenkamp dienst kon doen, werd door de uitbater van de kampwinkel voor een prikkie aan de spelletjes organisatie met veel poeha overgedaan.

 

Nou onze Sjoerd had dit snel onderkend. "Neem maar de blauwe bal, riep de organisator die zich tevens als presentator voordeed met z’n zware Rijswijkse accent. “Of de rode vind je die misschien leuker”, zei de sukkel en daarbij wellicht denkend dat die Amsterdammers idioten waren. In zijn achterhoofd zag hij zijn zoontje al met het karretje naar de tent rijden. Sjoerd wees met z’n wijsvinger, z’n hoofd een beetje schuin naar het karretje. De organisator probeerde het nog één keer, “Welke kleur wil je nu hebben”? Sjoerd keek schuin naar mijn vader. Hoe klein hij ook was hij liet zich niet het kaas van z’n brood eten. “Pak het karretje maar Sjoerd”, zei mijn vader, “Toe maar”.

 

Zo heeft Sjoerd met dit karretje nog goede zaken gedaan tijdens de vakantie. Hij liep naar alle tenten en caravans en vroeg of hij wellicht water moest halen. Zo liep Sjoerd, met het karretje, de gehele dag tussen de tenten en het washok. Op z’n karretje stonden Jerrycans van diverse pluimage leeg heen en weer vol terug. Dit heeft hij enkele weken volgehouden. Waarom hij steevast sommige tenten en caravans oversloeg werd duidelijk toen mijn vader vroeg: “Waarom sla je iedere keer dezelfde tenten en caravans over Sjoerd? Omdat die geen geld geven”, moet hij volgens de overlevering hebben geantwoord.

 

Daarna werd Sjoerd door eenieder "Het winkelmeneertje" of het "Dubromeneertje" genoemd, refererend aan het reclamespotje dat destijds op Nederland 1 en 2 te bewonderen was, alwaar een jongetje van Sjoerd zijn leeftijd, voorzien van een brilletje, voor geld de afwas deed voor volwassenen.

Filmpje http://www.bobfvanmeetelen.nl/34252364

9. A-10 geheim
 

Tante Gerrie en ome Leo woonden destijds in de Piet Mondriaanstraat in Amsterdam Overtoomseveld. Regelmatig bezochten wij ome Leo en tante Gerrie die ons op hun beurt in Geuzenveld bezochten. Dit geschiedde meestentijds per auto. Ome Leo had een Volkswagen Kever waarmee hij, naar verluidt, de eerste dag achteruit tegen een lantaarnpaal aanreed.

 

Wij hadden toen geen eigen auto maar eentje van de zaak. Denk nou niet dat de mannen van toen via een lease-maatschappij een leuk middenklas modelletje konden uitzoeken. Nee onze 1ste auto, zover ik mij herinner, was een pick-up van Jel, het limonademerk dat mijn vader vertegenwoordigde. Eigenlijk ook een Volkswagen maar dan een busje zonder achterkant. De achterkant bestond uit een open laadbak dat door een schot van voren naar achteren gescheiden was. Dat was natuurlijk handig in bochten zodat de volle en lege kratten niet zomaar van bakboord naar stuurboord konden schuiven.

 

Welnu, gelegen aan de flat van tante Gerrie en ome Leo lag een braakliggend terrein dat door wilde planten etc. was overwoekerd. Je kon zo naar het Mercatorplein lopen. Echter de gemeente Amsterdam kennende kon zoiets nooit lang duren want Amsterdam moest meegroeien in de welvaart van de jaren zestig. Dus werd besloten om een ringweg om Amsterdam aan te leggen. Het eerste stuk zou vanaf de Coentunnel tot aan de oude Haagseweg gaan lopen.

 

Wij waren dus op visite bij ome en tante en het was een doordeweekse dag, waarschijnlijk een verjaardag. We konden dan altijd zo leuk ons navy Frank pesten met het laten knallen van ballonnen. Overigens hadden tante Gerrie en ome Leo een doorgeefluik tussen de eetkamer en de keuken en in de keuken een stortkoker. Hierin kon je gewoon je afval in dumpen die dan zes etages lager in bijna drie meter hoge vuilnisbakken opgevangen werden. Als kind kon ik daar leuk mee spelen, al mocht dit natuurlijk niet.


Enfin, naast de flat was men bezig met het bouwen van de dijk die later de ringweg A-10 moest gaan worden. Wij speelden beneden aan de dijk die bovenaan door middel van zandkiepende kiepwagens ieder uur een meter langer werd. De lawines zand die naar beneden kwamen waren voor opgeschoten kleuters natuurlijk te mooi om waar te zijn. Ikzelf was niet de grootste held en bij iedere lawine maakte ik me uit de voeten. Andere kinderen die waarschijnlijk al 300 meter meespeelden waren wat behendiger en brutaler tegen het omlaag komende zand dan ik.

 

Zo was er een jongen, ik dacht dat het een indo, die alle moed had verzameld en tegen de rulle dijk aan durfde te liggen en het volgende moment was hij weg. Alleen zijn ene hand was nog zichtbaar. Het enige wat wij als getuigen van dit schouwspel direct konden doen was keihard gaan schreeuwen. Niet van angst maar tegen de kiepwagens die bovenaan gewoon hun routine volgden zodat ze op tijd waren om bij hun keet een Amstel Beer te drinken of een klare, elken dag een glaasje. Ons geschreeuw, eerst van opwinding maar later toch meer van angst werd boven aan de dijk niet echt opgemerkt. Zodoende hebben we de moed maar opgevat om met vele kinderarmen gravend de jongen uit zijn benarde positie te bevrijden.

 

Terwijl van boven (en ik bedoel dan niet uit de hemel) onze armen verder werden bedolven slaagden we er in de jongen uit het zand te bevrijden. Kotsend van het zand konden we hem weer een beetje op de been helpen. Terwijl hij huilend naar huis liep zagen we nog dat hij één schoen miste. Niemand voelde zich geroepen deze schoen op te graven. Eenmaal boven gekomen bij mijn moeder en tante Gerrie heb ik maar niets gezegd. Je weet maar nooit voor hetzelfde geld mag je nooit meer spannende dingen meemaken.

 

Regelmatig rij ik over deze plek heen. Rijden is wellicht een groot woord in de file. Maar de gedachte dat ik als enige weet welke schat er onder het wegdek ligt verzacht het fileleed een beetje. Stilletjes hoop ik dat Rijkswaterstaat tijdens de komende renovatie de kinderschoen zal vinden en allerlei actiegroepen er aanleiding in vinden om het project te stoppen en er een schoentje in zien van het veel te vroeg gestorven zoontje van Willem van Oranje en Anna van Buuren, die destijds ver buiten den Aemstel in het moeras heeft gespeeld. Ik hoop maar dat het Bata merkje er dan afgeweekt is.

10. Vader-zoon geheim

               

Zo kon het gebeuren dat ik voor het eerst op vakantie naar Spanje ging. Het was juli 1977 en twee maanden later moest ik in militaire dienst. Dus dan moest je toch minstens al in Spanje zijn geweest. Eenmaal aangekomen in Benidorm belandden we in een soort van spookkasteel van 13 etages. Het voor het appartementen-complex gelegen zwembad had in de folder van D-Tours nog Olympische afmetingen, in werkelijkheid was het niet meer dan een pierenbadje. Het kon onze pret niet drukken zeker niet toen ik ontdekte dat 2 etages onder ons een leuke goedgevulde jongedame, met zover ik in eerste instantie had kunnen inschatten, haar broertje en haar moeder bivakkeerde. Lang leve de vakantie. ’s Avonds in de bar onder ons appartementen-complex bleken mijn inschattingen weer eens juist te zijn geweest.

 

Haar vader was niet mee, haar moeder was Zweedse, haar broertje was snel dronken en zij heette Agnetha en leek wel geïnteresseerd. Reeds de volgende ochtend klopte ik al vroeg op hun appartementsdeur en vroeg zeer beleefd, ik bleef een heer, of Agnetha mee mocht naar het strand. Nou dat mocht wel want de moeder en broertje bleven toch lekker de gehele dag bij het zwembad beneden. Nee Agnetha wilde wel naar het strand.

 

Twee koppen koffie in de buurt later besloten wij om toch maar niet naar het strand te gaan. Haar moeder en broertje zaten gezellig bij het zwembad met mijn twee vrienden en ik zat boven in ons appartement met Agnetha. Echter aan alles komt een eind en Agnetha moest met haar broertje en moeder weer naar huis, twee weken eerder dan wij.

 

Hoog en breed terug in Amsterdam kom ik in een discotheek Agnetha tegen. "Kom bij mij slapen", vroeg ik direct "Dan moet ik eerst even mijn moeder bellen of dit mag" zei ze. Nou het mocht niet maar ik mocht wel bij haar slapen, volgens eeuwenoud Zweeds gebruik, zullen we maar zeggen. ’s Morgens uitgeslapen en wel trakteerde haar moeder ons op gebakken eieren met spek want dat hadden we wel nodig na zo’n avondje stappen.

 

"En heeb joe joe ouders nok verteld oever Agnetha, vroeg haar moeder met een zwaar Zweeds accent. Ja, nee natuurlijk, nee ze willen haar snel een keer ontmoeten. Nee ook heb ik alle foto’s laten zien. Ik wist niet eens waar ik het nog niet ontwikkelde fotorolletje had gelaten bedacht ik me ter plekke. Waarschijnlijk nog in m’n koffer. "Moes joe joe outers niet even bellen het is nu half één does ze zullen wel onkeroest maken". Aangezien ik een zolderkamer had met vrije opgang verwachtten mijn ouders me op zondag niet voor vier uur ’s middags beneden. Zoiets maakt natuurlijk een gekke indruk bedacht ik me. "Ja natuurlijk. mag ik even van uw telefoon gebruik maken?" Met het zweet op m’n voorhoofd werkten m’n hersenen op volle toeren hoe ik me hier in godsnaam uit moest redden.
 

Gelukkig dat je op zulke momenten een snel begrijpende vader hebt, hoopte ik zachtjes. Trring, hoorde ik in de veel te zware zwarte bakelieten hoorn in m’n linkerhand, terwijl ik vluchtig nog een glimlach richting Agnetha en haar moeder kon toveren. Met een alles betekenende glimlach om hun mond waren ze muisstil en gespannen en keken mij verwachtingsvol aan hoe het gesprek zou gaan verlopen. Het had weinig gescheeld of haar moeder had, overigens zeer goed bedoeld, zelf even voor mij gebeld. 11-28-92 Trring. Ik hoopte dat mijn ouders zoals zo vaak op zondagmiddag niet thuis gaven. Tri… Van Meetelen ! ging een zware stem door de kleine kamer, zodat iedereen het kon horen. Ha Pa, zeg ik heb vannacht bij Agnetha geslapen hoor". Eventjes was het stil. "Bij wie?" vroeg hij, gelukkig een stuk zachter dan daarnet, alsof hij het door had. Vervolgens antwoordde ik niets en mijn vader vroeg nogmaals "Bij wie?"

 

"OK doei", wist ik er nog uit te brengen en m’n vader besloot met dag knul, nu weer veel harder. Ik heb het er eigenlijk nooit meer met hem over gehad. Maar vaders en zonen begrijpen elkaar op bepaalde gebieden.

11. My special prayer

 

  "What, is your mother dead?" Hevig geschrokken schoot zijn zwarte linker hand, voorzien van vier goud met vele briljanten ingelegde ringen, als door de bliksem getroffen omhoog. De pen die zich daarin bevond stond als een antenne rechtop te wachten wat er komen ging. Deze lugubere grap van deze overzeese honkey kon hij niet echt waarderen, zo leek het.  "No, no" haastte ik me te zeggen, "my mother is Det". Ongelovig keek hij me aan met z’n toch al een beetje op z’n retour zijnde verweerde zwarte kop, met afrokapsel dat deels grijs werd bij de slapen. "Your mother is your dad?" Het was begin 1970 en travestie was nog iets wat was voorbehouden aan donkere achteraf keldertjes die overigens niet ver lagen van de plaats waar zich deze deels hachelijke deels komische situatie afspeelde, Magazijn de Bijenkorf.

 

  "No my mothers name is Det". Ik had natuurlijk kunnen vertellen dat mijn moeder thuis buiten het opvoeden van ons en het huishouden ook vele klusjes van technische aard deed. Dit waren o.a. schilderen, behangen, wasautomaten weer aan de praat krijgen etc. Dat waren op z’n minst toch mannelijke taken. Maar om dit nu even snel, en ook nog in het Engels te gaan uitleggen dat ging me een beetje te ver.

 

"Ah, I see, ha ha ha ha ha ha!"  Zijn mond lachte wagenwijd open en ik telde snel drie gouden kiezen in de perfect roze mond, die zo mooi afstak bij z’n donkere huid. "Funny names these people, I like them", lachte hij terloops naar links naar iemand die er uitzag als zijn manager. Vervolgens schreef hij op de fonkelnieuwe platenhoes, die ik net daarvoor had gekocht voor mijn moeders verjaardag:

 

For my mother Det,

 

Percy Sledge

12. Oudejaarsavonden
 

Nu we bijna tegen het millennium aanlopen moet ik onwillekeurig terugdenken aan de vele oudejaarsavonden die we thuis hebben doorgebracht. Ik kan er me enkele zo voor de geest halen echter het juiste jaartal kan ik er veelal niet bijplaatsen, waarschijnlijk omdat ik op een gegeven jaar van de appelcider over mocht gaan op echte champagne.

 

De allereerste die me te binnen schiet was die waar mijn oma, de moeder van mijn vader, nog bij was. We hadden braaf onder de inmiddels bijna geheel uitgevallen kerstboom, je had ze alleen nog op een houten kruis zonder waterbak, de hele avond tegen de slaap zitten vechten, mijn zus en ik. Bob en Sjoerd zaten nog in mijn vaders verrekijker. Hoewel we ‘s middags wel een vooruitslaapje hadden moeten doen viel het toch niet mee. Tegen twaalf uur liep mijn vader naar de inpandige bergkast die wij in de kamer hadden. Daarin zat een enveloppe, niet groter dan A-5, met daarin ons vuurwerkpakket. Ik had natuurlijk al de gehele avond naar die kast zitten loeren maar voorzichtigheidshalve had mijn vader de sleutel er uitgedraaid. Niet zo’n sleutel die tegenwoordig standaard in iedere nieuwbouwdeur zit, nee eentje die verzilverd was met in het midden een soort minikrakeling. De sleutel was ook behoorlijk zwaar en had in de loop der jaren de aangrenzende deur naar het gangetje van de slaapkamers een klein gat bezorgd door er bij het openen steeds even tegenaan te porren.
 

Nu net na twaalven, ik was een beetje misselijk van de appelcider bovenop de Prinskoeken die mijn zus en ik van onze oma kregen (wellicht reeds een voorbode voor mijn zus) liep mijn vader voorzien van een grote sigaar in z’n hoofd naar de voorkamer. “Als het zo blijft waaien gaat het vuurwerk niet door”, werd me wijsgemaakt. “Maar dat kun je toch niet aflasten”, probeerde ik dan nog. Maar mijn vader keek gelukkig goedkeurend naar buiten. Hij was ook blij dat het niet hard waaide, dacht ik nog. “Piet kijk toch uit met die sigaar boven dat vuurwerk”, riep zijn moeder hem toe. De sigaar had reeds een gevaarlijk grijze kegel van as opgebouwd die wel eens in de enveloppe kon vallen. “Ach mam niets aan de hand”. Dezelfde zin zou bijna 40 jaar later, in dezelfde familie echter een generatie later, opnieuw worden uitgesproken, alleen was dan mijn grootmoeder mijn moeder, mijn vader mijn broer Bob en de sigaar werd een sigaret.

 

“Gelukkig nieuwjaar”, hoorde ik de buren elkaar wensen op de trap echter veel tijd hadden ze niet want het vuurwerk moest de lucht in. Mijn vader ging aan de overkant staan onder het afdakje van Apotheek van Sprang. Hij had het kleine houten tafeltje uit de kamer van mijn zus meegenomen om vuurpijlen af te steken. Mijn vader liet veiligheidshalve nooit iets aan het toeval over. De sigaar was een twijfelgeval maar ja hij had natuurlijk ook een beetje champagne gedronken. Mijn moeder wenkte door het dichte raam dat hij een stukje naar voren moest gaan staan. Mijn vader sloeg deze aanwijzingen letterlijk in de wind waardoor hij de eerste vuurpijl bijna in zijn nek kreeg. De pijl schoot namelijk via het afdakje weer richting aarde.

 

Een andere oudejaarsavond ook bij ons thuis was een drukke. Ik weet nog dat tante Ans en oom Martin en neef Roland en nicht Mignon bij ons waren. Roland die wel eens wilde zien wat er toch op die rand boven het bed in mijn ouders hun slaapkamer stond kreeg pardoes een gehele filmprojector op z’n hoofd, alvorens dit toch behoorlijk zware apparaat met een klap op de grond belandde. Niets aan de hand besloten mijn vader en oom Martin die bij wijze van voorproefje onder grote hilariteit alvast een matje op onze toilet afstak. Een andere oudejaarsavond was bij hun in Lisse alwaar mijn broer Bob nog ‘s nachts in de tuin de mooi versierde kerstboom van tante Ans ondersteboven liep.

 

Bij weer een oudejaarsavond in Amsterdam waren we te gast bij de familie Hemminga, onze bovenburen. Toen mijn broer Bob eindelijk naar bed moest was hij nergens te vinden want hij liep op straat naar nog niet ontplofte bommen te zoeken. Toen Bob zich uit mijn vaders greep, die hem inmiddels een half uur later vond, losrukte kon mijn vader niet anders doen dan er achteraan te rennen. En Bob die frivool over de lage heggetjes van de voortuinen sprong wist natuurlijk dat juist bij ons voor de deur de benedenburen er een circa 1 meter hoog draad gespannen was om juist dit soort sprongen tegen te gaan. Mijn vader die dat natuurlijk niet wist ging zo op het eerste uur van het nieuwe jaar gigantisch op z’n gezicht. Behoorlijk bloedend mengde hij zich weer onder het gezelschap waar na een paar borreltjes de pijn reeds een stuk minder was. Bob had overigens een nieuw wereldrecord gevestigd met trappenlopen. Toen mijn vader eenmaal bij de familie Hemminga weer boven was, vroeg hij of Bob al in bed lag. ''Ja hoor, die ligt al te slapen'', zij opa Hemminga terwijl Bob veilig verschuild achter zijn stoel zat. 
 

De jaren zeventig oudejaarsavonden werden overigens vaker met de bovenburen gevierd. Het ene jaar bij hun, het andere jaar bij ons. Zo heeft zich ook eens een vriendin van mijn moeder met haar man bij ons gevoegd. Tante Maud en ome Giel (Bing Crosby), werden ze volgens oud Amsterdams gebruik genoemd. Tante Maud was echter geen Amsterdamse maar een Antilliaanse vrouw van boven gemiddeld postuur, om het netjes te zeggen. Dat kon je niet alleen zien maar die avond ook merken toen een tweetal van onze eetkamerstoelen het nieuwe jaar niet meer haalden. Tante Maud was er totaal doorheen gezakt. Het leuke was dat niemand zich er om bekommerde, ook mijn moeder niet. Dat was ouderwets lachen gieren brullen.

De meest recente oudejaarsavond, die van 2010-2011, werd gehouden bij Rik en Johan in Purmerend. Het thema van de avond was “Goud en Nieuw” en er zou gepokerd gaan worden. Hiervoor hadden Ron en Kim een professionele pokertafel en zelfs speelkaarten van Bellagio uit Las Vegas meegenomen.

We moesten allemaal, gebaseerd op de huwelijkstraditie ‘something old something new something borrowed something blue’ iets gouds dragen. Peg had voor mij een gouden ketting gekocht die meer zilver was waardoor ik net de tweede burgemeester van Swiebertje leek. Dit ook mede doordat mijn haar net een grijsspoeling had ondergaan en het daardoor een pruik leek waarmee ik zo in de reclamespot van ‘Ditzo’ kan meedoen. Johan Sr. was net Humpry Bogert die als Philip Marlow met z’n gouden hoedje even uit de opname van de Singing Detective was weggelopen. Rik daarentegen was the Queen of the night met haar gouden kroontjesdiadeem.

Reeds voordat we überhaubt aan de speeltafel plaatsnamen hebben Ron en Johan Jr. nog even een drietal ‘berm’bommen voor de deur ontstoken. Veiligheidshalve hebben ze deze maar midden op de weg afgestoken en daarbij alle tegemoetkomende auto’s tegengehouden die anders waarschijnlijk het nieuwe jaar niet zouden hebben gehaald. Drie gaten in de weg en vele huilende auto-alarmen later zijn we met spelen begonnen.

Bij pokeren, zoals iedereen weet, gaat het om bluffen en niet zozeer om de kaarten zelf. Dat is de reden dat ik het spel snel onder de knie had en er direct in het begin al uitlag. Dat gold ook voor Bob, de beiden Johannesen en Ron en bleven er uitsluitend dames aan tafel, Ma, José, Peggy, Mirella, Kimberley en Rik, een Ladys Night waar Holland Casino jaloers op zou zijn geweest. Bob vond het wel erg gezellig want hij zong de hele avond ‘we are family’ als de broer van Jeanne Tripplehorn in de film Mickey Blue Eyes.

De pokerwedstrijd ging uiteindelijk tussen Peggy en mijn moeder. De eerste partij won ma de gehele inzet van €18.000,= die ze weer in het spel terug bracht die Peggy daarna won, welliswaar geholpen door Mirella en Rik maar dat mocht deze avond. Daarna hebben we de traditionele oudejaars hors d’oeuvre van mijn moeder genuttigd, gedanst en veel gedronken want ook dat was in grote getale en in vele soorten en smaken aanwezig. Ik mag wel zeggen dat dit een van de leukste oudejaarsavonden was die ik me kan heugen.

Zo, maak nu zelf het verhaaltje verder af en kleur de plaatjes.


Filmpje:
http://www.bobfvanmeetelen.nl/38554936

13. Henri

 

"Geef voor uw invalide medemens, zorg ervoor dat ook hij eens per jaar op vakantie kan", klonk het uit de luidsprekers die voor- en achterop de geluidswagen waren gemonteerd. Deze auto reed langzaam door de straten van Geuzenveld en wij liepen als de ratten van de rattenvanger van Hamelen er achteraan. In onze knuistjes hielden we een veel te zware, koperen, collectebus die al spoedig tot de nok toe gevuld was met dubbeltjes, kwartjes, zilveren guldens en grijze briefjes van ƒ 2,50.
 

Het Rode Kruis organiseerde een inzamelings-actie om een schip te laten bouwen dat al varend over de Rijn tussen Duitsland en Nederland zieke en invalide mensen eens per jaar van een geheel verzorgde vakantie konden laten genieten. Inclusief verplegend personeel, rolstoel vriendelijke dekken, entertainment en nog veel meer vertelde de brochure die wij als hand- en voetbal vereniging Geuzenveld van het Rode kruis hadden toegestuurd gekregen, met het verzoek om in onze buurt van Geuzenveld te collecteren. Het rode Kruis had schijnbaar zelf niet voldoende collectanten mobiel om alles zelf te organiseren. Vandaar dat sportverenigingen werden ingeschakeld om hierin ondersteuning te geven.
 

"Zorg er ook voor dat uw invalide medemens ook eens op vakantie kan gaan" herhaalde de stem uit de luidsprekers iedere keer, met daarbij wel steeds een iets andere zinsbouw. Tegenwoordig worden bij dit soort exercities van te voren ingesproken bandjes afgedraaid. Nee bij ons was de stem live, en van mijn vader. Hij zat voorin met een microfoon in de hand naast de chauffeur. Mijn vader had de auto inclusief geluidsapparatuur en chauffeur weten te ritselen bij de Verenigde Dranken Handel annex Heineken Nederland BV. Namens de vereniging Geuzenveld en het Rode Kruis haalde we geld op in het aan ons toegewezen gebied. Het was het deel Geuzenveld ten zuiden van de Savornin Lohmanstraat tussen het Geuzeneiland en de Eendracht Polder in.
 

Sommige mensen gooiden geld naar beneden, verpakt in papiertjes, alsof we met een draaiorgel door de straten trokken. Anderen namen de moeite om speciaal voor dit goede doel de portalen uit te lopen en persoonlijk met een ferme schouderklop het geld erin te stoppen. Sceptisch als ik ben had ik reeds mijn vader op voorhand er van proberen te overtuigen dat het ons toegewezen gebied veel te klein was. Met name omdat de voor mij belangrijke straten, waar vriendjes en vriendinnetjes woonden, in deze route bijna niet opgenomen waren. "Zo halen we niet veel op pa" probeerde ik, we kunnen toch altijd nog een paar straatjes extra pakken". "Zorg jij er nou maar voor dat je de mevrouwen en meneren die geld in je busje stoppen netjes bedankt iedere keer, dan komt alles goed." Ik was er niet gerust op en zeker niet omdat mijn vader toch alles organiseerde en ik gewoon met de anderen met een collectebus moest lopen. Kon ik niet mee in auto?
 

Nadat we de helft van onze route gelopen hadden waren de collectebussen vol, prop- en propvol. "Dan maar de rest gewoon in je zakken stoppen jongens, de mensen begrijpen dat heus wel". Nu werd ik pas echt gemotiveerd. Dacht dat Rode Kruis soms dat wij niet voldoende ophaalden en scheepte men ons af met veel te weinig collectebussen, in ons veel te kleine gebied. Nou we zouden ze daar wel eens een poepje laten ruiken. Plm. negen uur moesten we onze zakken legen en de collectebussen, niet eens voorzien van beveiligingsloodjes, inleveren. Mijn vader en nog iemand van Geuzenveld en de chauffeur gingen het geld inleveren bij de toenmalige “Spaarbank van de Stad Amsterdam” aan de Nicolaas Ruychhaverstraat. De opbrengst was ruim hfl. 32.000,=, een vermogen in die tijd, en al helemaal voor mij.

 

In de bij de landelijke actie behorende televisie marathon werden uit alle gebieden van Nederland bijna alle verenigingen genoemd met daarbij de opbrengst. Ik zeg bijna want die van ons werd niet genoemd. Wel andere bekende verenigingen die verdomme nog niet eens hfl 1000,- hadden opgehaald werden daar als held van de dag genoemd. Ze hadden nog niet eens een geluidswagen maar werden daar wel even op televisie genoemd. "Hebben jullie dan bij het inleveren niet gezegd van welke vereniging jullie zijn?", vroeg mijn moeder. "Eh, nee maar ze hebben het ook niet gevraagd pareerde mijn vader, nietwaar Joop?" De chauffeur durfde zich niet in deze onschuldige discussie te mengen en nam haastig een slokje 'Heineken' bier uit het flesje. "Maar pa we hebben er met z’n allen zo hard aan gewerkt en worden niet eens genoemd". Ik vond dat niet eerlijk. Mijn vader aaide me over mijn bol en zei "Daar gaat het niet om jongen".

 

Als mijn vader later ooit zelf de kans zou hebben gehad om in z’n eigen rolstoel op de Henry Dunant mee te varen zou hij ongetwijfeld tegen mijn moeder hebben gezegd : "Kijk Detje dat hoekje van het schip hebben wij toch maar mooi bij elkaar gecollecteerd".

14. Nee, dan vroeger

 

Als wij vroeger op zondagavond na het eten aan mijn vader vroegen : "Pa, vertel nog eens over vroeger", dan kregen we steevast de leukste avonturen van veelal voor de oorlog voorgeschoteld. Het vroeger van vroeger leek dan ook veel vroeger dan het vroeger van nu. Dat komt wel een beetje omdat tussen ons vroeger en het vroeger van vroeger de tweede wereldoorlog zat. Deze wereldoorlog leek voor ons kinderen een groot avontuur alwaar menig volwassene de hoofdrol in gespeeld leek te hebben.

 

"Pa vertel nog eens over die Indiërs of over de huilende wielrenner", of over de afloop van de oorlog. "He he", deed mijn vader dan en lachte alsof hem een nog niet eerder vertelde anekdote naar boven kwam. "Nee jongens eerst jullie bord leeg eten", zei mijn moeder dan. Alsof mijn vader dit niet hoorde stak hij een Caballero zonder filter op en verschoof onze hardhouten eetkamerstoel met zwarte spijlen leuning iets naar achteren, en blies een blauwgrijze rookwolk de lucht in. Dit was meestal het begin van een spannend verhaal van vroeger.

 

"Heb ik jullie al eens verteld over ……" Ja, Piet dat verhaal heb je al duizend keer verteld, zei mijn moeder dan en kwam met de glazen schaaltjes hopjes en vanille vla met daarop een toefje, zelf geklopte, slagroom de kamer binnen. Nee hoor logen wij dan vaak deels om mijn vader niet in zijn enthousiasme te tempereren en een reeds bij ons bekend verhaal iedere keer meer details kreeg waardoor het steeds leuker werd.

 

Zo vertelde mijn vader ons over Krimpen aan de Lek alwaar hij tijdens een deel van de oorlog ondergedoken zat als hulpje op een veerpont. Aangezien mijn vader in de oorlog de geschikte leeftijd had om in Duitsland in een fabriek kerkklokken om te smelten voor kanonnen werd hij hier prompt voor opgeroepen. Zijn vader zei dat indien hij gehoor gaf aan de oproep van de moffen hij allebei mijn vaders benen zou breken. Daarna had mijn grootvader "geregeld" dat mijn vader bij de brandweer in Rotterdam kon dienen, die werden immers niet opgeroepen om naar Duitsland te gaan.

 

Of het verhaal over die Indiërs. Zo is mijn vader voor de Olympiade, zoals vroeger de Olympische Spelen werden genoemd, in 1948 met de boot naar Engeland gegaan, samen met zijn neef Jan Brunt uit Wassenaar. Omdat Engeland ook nog in de wederopbouw van de oorlogsjaren zat mocht je als buitenlander niet meer dan een bepaald aantal ponden importeren. Dit werd aan de grens streng gecontroleerd. Als jonge jongens naar Engeland zonder veel geld op zak was natuurlijk niet al te leuk. Vandaar dat ze in Londen bij een zakenrelatie van de vader van neef Jan geld konden ophalen. Waarschijnlijk daardoor dat ze erg populair bij de heren en vooral bij de dames waren.

Omdat neef Jan een fanatieke hockeyspeler, en daarna overigens een niet geheel onverdienstelijke hockeycoach is geweest, kwamen ze in contact met een ploeg Indiërs, uit India zullen we maar zeggen. Deze ploeg bestond voornamelijk uit lieden van de hoogste kasten zoals ministers. Na hun olympische wedstrijden zouden ze hun weg in Europa vervolgen om met name de infrastructuur in Nederland te bekijken. Hun speciale aandacht ging uit naar het rioolstelsel in Amsterdam. Natuurlijk was mijn vader de aangewezen persoon om deze heren Amsterdam eens te laten zien. Uiteraard mocht een bezoekje aan een Amsterdamse haringstal hieraan niet ontbreken. En net als  mijn vader en oom Jan, die na een haring in één keer naar binnen te laten glijden net deden of ze de staart in de zak van regenjas stopten, volgden de Indiërs dit voorbeeld. Toen ze na ruim een week Amsterdam met de trein naar andere Europese hoofdsteden vertrokken riep één der heren mijn vader voor zijn vertrek even snel de hotelkamer binnen. Mijn vader ging daarbij bijna pardoes over z’n nek van de stank. De goede man vroeg mijn vader wat zij, nu zij toch weer zouden vertrekken uit Holland, met de resten van de haring moesten doen.

 

Zulke verhalen die zo ver van ons bed waren in het (toen nog) veilige Geuzenveld gingen er uiteraard in als koek. Maar dan was het zeven uur en Studio Sport begon.

15. Grote  voetballer

 

Ik ben nooit zo’n hele grote voetbalfan geweest. Ik vind het leuk om de uiteindelijke kampioens wedstrijd van het Nederlands elftal of Ajax op televisie te volgen maar daar houdt het dan ook mee op. Zelf heb ik daarentegen zeven jaar op "voetbal gezeten". Dat laatste omschrijft e.e.a. correct toe want echt voetballen is er bijna nooit van gekomen, in het laatste elftal van Geuzenveld.
 

Ooit heb ik één keer de beslissende goal gemaakt in de finale wedstrijd tussen junioren Geuzenveld 6 en Lijnden 7. Deze beslissende wedstrijd was in Lijnden, een gehucht tussen Badhoevedorp en Schiphol in. Van ons elftal kwamen er negen van de twaalf opdagen op de hoek bij bus 21 alwaar altijd dezelfde vaders het drukke elftal in twee auto’s probeerden te proppen. Overigens waren dit altijd dezelfde auto’s van dezelfde vaders die zich geroepen voelde om hun zoon naar een uitwedstrijd te begeleiden. De overige vaders dropten hun zoon om half tien en tot ziens. Een bijkomend voordeel was dat deze uitwedstrijden de enige keren waren dat er überhaupt publiek kwam kijken. Bij een thuiswedstrijd moest je zelf met de veel te grote voetbaltas achterop naar de Eendracht rijden. De enige die vaak op zaterdagmiddag commentaarloos onze verrichtingen op het veld volgde was de heer Prins, penningmeester van Geuzenveld en schoonvader van mijn zus.

 

Een ander voordeel was dat je bij de uitwedstrijden lekkere nieuwe versnaperingen kon ontdekken in de als kantine bedoelde houten keten, met neerklapluik waarbij je nog echte snoep kon kopen, of de eerste kleine zakjes chips waar geen zout overheen zat. Nee, als je het zakje ophad zat er onderin een rood opgerold papiertje waar het zout inzat.

 

Enfin op het voetbalveld van Lijnden, het enige gras dat bij de doelen meer zand had dan gras, stonden we te wachten op de scheids. Die had waarschijnlijk net zulke hoge verwachtingen van ons spel als de meeste niet meegekomen vaders want hij was er na drie kwartier wachten nog niet. Als één van de weinigen langs de kant stonden mijn vader met Guustein. Guustein was zeg maar het manusje van (vereniging) Geuzenveld die lijnen trok, ballen oppompte en allerlei andere werkzaamheden kreeg opgedragen bij de vereniging. Waarschijnlijk als beloning voor deze bijna altijd in de regen uit te voeren taken, hij liep door weer en wind nog ballen te zoeken en de doelnetten keurig op te vouwen terwijl het voltallige bestuur zich vaak liet vollopen in de bestuurskamer, mocht Guustein een cursus scheidsrechter volgen, maar dan alleen voor de jeugd natuurlijk.

 

Dus Guustein mocht onze wedstrijd in Lijnden fluiten. Nou toevallig had hij zijn gehele scheidsrechter outfit meegenomen, dus dat kwam goed uit. De wedstrijd was zoals alle anderen: kluitjesvoetbal uitgevoerd door jongetjes zoals ik die op spillepoten in veel te grote voetbalschoenen tegen een veel te zware leren voetbal moesten aantrappen.

Ikzelf stond midvoor, tegenwoordig heet dit geloof ik spits, en na een stand van 1-1 met nog een speeltijd van plm. 5 minuten stond ik alleen voor de keeper met de bal in aantocht, op manshoogte. In een reflex sloeg ik met mijn hand de bal in het doel. En Guustein, partijdig of Oostindisch blind als hij was keurde het doelpunt goed. Nog geen minuut later floot hij de wedstrijd af.

 

Dit was natuurlijk hilariteit alom. De tegenpartij, waarbij er wel een aantal vaders stonden te kijken, braken bijna hun als kleedkamer bedoelde, eigen groene keet af. Er ontstond een handgemeen en bij het wegrijden waren onze auto’s totaal gebarricadeerd. Bomen, takken, tonnen en wat er niet meer aan ongeregeld kon worden aangesleept lag voor onze auto’s. Zonder kleerscheuren een beetje angstig napratend in de auto zei mijn vader tegen Guustein dat dit soort taferelen eigenlijk niet door de beugel konden.

 

“Alsof wij iets verkeerd gedaan hebben. Ja maar pa, ik had natuurlijk niet met mijn hand dat doelpunt mogen maken. Wat!!”, omdat mijn vader een zeer voorzichtige autorijder was weerhield dit hem ervan om met piepende banden midden op de snelweg te stoppen. "Guustein had je dat dan niet gezien?" Guustein deed zoals gewoonlijk z’n middagdutje, zo leek het.

 

God gloeiende God God verdomme!, vloekte mijn vader. Heb jij dit alles op je geweten?  Bij normale vloeken viel alles nog wel mee maar met dat "gloeiende" erbij, dan was het menens. Abrupt schoot Guustein uit z’n middagdutje en stootte hierbij z’n hoofd aan het vierkante knopje van het schuifraampje van onze Ranault 4. "Nee ik heb dat niet gezien" en "Ja ik dacht dat jullie dat wel gezien hadden" klonk er niet al te hard gelijktijdig vanuit mijn en Guustein’s mond.

 

Mijn vader zei gedurende tien minuten niets meer. Ik weet niet of dit uit woede, teleurstelling of woordengebrek was. "Kijk hier werk ik, bij de V&D" probeerde Guustein als neutrale openingszin toen we de afslag bij de Kolenkit passeerde en de Haarlemmerweg opdraaide. Toen we Guustein hadden afgezet zei mijn vader dat hij het niet sportief van me vond, die handbal. "Maar het was in een reflex en de scheidsrechter had het toch goedgekeurd", reageerde ik quasi onschuldig.

16. Onnie

 

Mijn zuster en ik hadden ooit een kanarie. Ik een mannetje en Rik een vrouwtje die samen in een kooi op het rieten kastje bij ons in de huiskamer stonden te kwetteren. Op een gegeven moment heeft het vrouwtje het mannetje doodgebeten, of andersom. Het overgebleven stomme beest is uiteindelijk zelf overleden aan eenzaamheid, zo heette dat toen. Jarenlang is ons huis verschoond gebleven van huisdieren. Maar nu hadden we een oom en tante, althans een oom en tante van mijn moeder maar wij noemden ze ook oom en tante (?) in Friesland, die weer buren waren van een andere oom en tante, althans weer van mijn moeder, oom Sjoerd en tante Tiete. Deze naam overigens wekte altijd veel lachpartijen bij vriendjes en vriendinnetjes maar bij ons was de naam ingeburgerd en klonk heel normaal. Tegenwoordig hebben vrouwen borsten maar vroeger hadden vrouwen busten. Maar dus de buren van oom Sjoerd en tante Tiete, oom Anne (spreek uit Onne) en tante Ieke hadden achter hun huis een volière, oh ja ?, ja!. Toen we bij ons bezoek aan de Beneden Knijpe de volière weer eens bewonderden en uit beleefdheid zeiden dat we nog nooit zulke mooie vogels hadden gezien konden we geen nee meer zeggen toen ons een prachtexemplaar werd aangeboden.

 

Ik heb daarna, hoe ondiplomatiek soms ook, vaker gezegd wat ik werkelijk vond in plaats van niet gemeende gunsten te moeten verlenen. Rik nog niet want toen we de volgende keer in Friesland op de boerderij logeerde, Rik mocht ook mee, heeft ze tegen haar zin in alleen het witte van vier eieren moeten opeten. "Ik lust alleen het eigeel" scandeerde ik tegen tante Zus. Aangezien de eieren uit de eigen kippenren kwamen dacht mijn zus tante Zus hiermee te beledigen om nee te zeggen toen tante Zus aan mijn zus vroeg "Lust jij wel het wit van de eieren Rik?" "Ja hoor, tante Zus. Mooi", zei tante Zus, " Dan eet Frans van de vier eieren alleen het geel op en jij Rik het wit."

 

Wij dus ‘s avonds naar Amsterdam met een parkiet, in een oud klein kooitje achterin de auto onder een deken. "Mag ik hem niet op schoot houden vroeg mijn zus, nee dat beestje moet eerst nog aan ons wennen wist mijn vader. In Amsterdam aangekomen zijn we eerst nog naar Ome leo en tante Gerrie gereden die in de box nog een knappe vogelkooi hadden staan die beduidend groter was dan het verhuiskooitje van tante Ieke. "En we noemen hem Onnie", zei mijn vader. Respectabel vernoemd naar zijn eerste pleegouders, Anne en Ieke. En toen Onnie zeker wist dat deze kleine gevangenis zijn huis definitief was geworden begon hij (we wisten niet of het een mannetje of vrouwtje was dus gemakshalve werd het een hij) zowaar op gezette tijden enige vormen van gezang te vertonen.

 

Nu was het de gewoonte dat mijn ouders op zondagmorgen wel eens wilden uitslapen. Mijn vader verblijdde ons dan met een schoteltje met koekjes en snoepjes, je had nog geen kinder TV, zodat we ons in ieder geval tot 07:00 uur gedeisd hielden. Echter mijn broer Bob en zijn broertje Sjoerd wilden nog wel eens op strooptocht door het vroege huis sluipen. Op zoek naar lekkernijen hadden ze al eens een slagroomtaart, ter ere van een verjaardag, in de koelkast ontdekt. Natuurlijk was er niets lekkerders dan met een wijsvinger om beurten een lik slagroom van de top af te halen. Toen daarvan reeds de helft op was besloten ze de andere helft ook maar te nuttigen. Hierbij stuitten ze echter op een nieuw probleem want een slagroomtaart alwaar geen slagroom meer op zit is een kale bedoening en wordt snel ontdekt. Zo creatief als kinderen kunnen zijn hebben ze maar met een gele tube Zaanse mayonaise een eigen dimensie aan de taart gegeven. Dan viel het tenminste niet direct op zullen ze moeten hebben gedacht. Ze hebben overigens die ochtend tot wel 10:30 uur muisstil in bed gelegen.

 

Op weer een andere vroege ochtendronde ontdekte Bob, die toch al gek was van alles wat met techniek te maken had, een hele bandrecorderrol, die eigenlijk een filmrol was. Vandaar waarschijnlijk kwam er geen geluid uit de bruin houtgeplakte Philips bandrecorder toen de film er uit alle kanten kwam uitlopen en de opnamekoppen naar de knoppen waren.

 

Maar één keer hebben ze het wel erg bont gemaakt. Bob vond een grote tube Velpon. Hier moest toch wel iets leuks mee te doen zijn, moeten ze hebben gedacht. Met de tube in de hand zullen ze waarschijnlijk de kamer hebben rondgekeken en daarbij gestopt zijn bij Onnie, onze parkiet. Deze heeft wellicht volborstig fluitend naar de twee broertjes, bij wijze van dankbaarheid voor het zangzaad en het water, zich van geen kwaad bewust pontificaal op het bovenste stokje hebben geposteerd. Waarna hij een lauwwarme douche van druipend Velpon over zich heen kreeg.

 

Onnie heeft zich in het begin nog afgevraagd wanneer deze grote menskinderen dit grapje nou eens zou stoppen en hem lekker even weer schoon zouden maken. Indien ze dit direct zouden doen zou Onnie niets tegen de mensouders zeggen, nee hoor hij was ook jong geweest. De menskinderen zijn, zelf een beetje verrast van de effecten van de inmiddels platte en lege tube op onze kleine gevederde vriend, snel naar hun bed gegaan en Onnie spartelend achterlatend in zijn benarde positie. Het beestje probeerde nog om zich zelf schoon te maken maar tevergeefs. Hij werd zelfs topzwaar want de kluwen veren werden één bonk gedroogde lijn.

 

Al snel viel hij van z’n stokje en rolde zichzelf helemaal wit van het schelpzand, dat onderin de kooi lag. Hij dacht aan vroeger toen hij nog lekker met z’n broers en zusjes in de volière in Friesland speelde. Jarenlang moest hij

bij tijd en wijle rechtop zitten en al het lawaai van iedereen aanhoren. Jarenlang moest hij als passief roker meeroken met de familie. Al het lief en leed had hij met de familie meegemaakt. Het gebeurde wel eens een enkele keer dat z’n drinkbakje een paar uur leeg was. Hoorde je hem er over, nee hoor geen woord. Nee dit had hij toch niet verdiend. Hij kon al bijna niet meer ademen door de lijm die zich als een wit korset om z’n verenpracht had omsloten. Het laatste dat hij hoorde was ergens ver weg: "Papa, papa kom gauw, eris iets met Onnie. Het was geloofde hij nog de stem van het oudste mensenkind, die een iets hogere stem dan de andere drie. Het geluid werd steeds zwakker en toen hoorde hij niets meer.

 

Nee, Det ik denk dat het gebeurd is met hem. Mijn vader en moeder stonden gebogen over Onnie zoals de leerlingen van Professor Tulp op het schilderij "De anatomische les" van Rembrandt. Ik kan nog proberen met wat terpentine de boel een beetje schoon te krijgen. Na een aantal verwoede pogingen besloot mijn vader Onnie maar in alle rust te laten inslapen. Een schoenendoos van mijn moeder werd voor deze gelegenheid omgetoverd tot Mausoleum en boven op de kast gezet. Ieder uur werd een kijkje genomen of hij nog leefde. Na een aantal dagen begon de doos een beetje te bewegen en hoorden we getik als ware het dat Onnie even op de muur klopte van ik ben er nog. Nou dat klopte want na nog een aantal dagen lagen al z’n veren naast hem en Onnie leek als herboren. Als een naakt uilskuiken werd hij wederom in z’n eigen kooi teruggeplaatst. Uiteraard had de kooi een forse schoonmaakbeurt gehad en was voorzien van vers schelpzand, vers water, zangzaad en zelfs een slaadje bla.

 

Alsof er niets was gebeurd werd zijn vogelleven wederom hervat. Onnie kreeg je er niet onder en hij heeft nog vele jaren bij ons in de huiskamer gestaan. Al was hij wel een beetje meer op z’n hoede als Bob en Sjoerd in de buurt kwamen.

Laat een berichtje achter of je het wel/niet leuk vind